|
In de context van de eerste
BRMD (Belgian Rocket Motor Days), georganiseerd op 8 september 2007 te Vaulx bij
Chimay, door onze Belgische zuster organizatie de GEA, heeft
de VRO 4 raket motoren getest, 2
ervan (ZAS5P-8 and ZAS5P-9) met vaste
zink-zwavel-aluminium brandstofpillen. Het doel van deze tests was na te gaan
of de specifieke impuls kon verhoogd worden door de aanpassing van de
straalpijp keel tot uitlaat oppervlakte (At/Ae), en het gebruik van eroderende
kelen.

Figure
1: view of
ZAS5P-9.
De vaste brandstofpil wordt in de motor
verankerd met dun vloeibaar polyurethaan
(Protoflex190-15N). Eerst worden op het brandstofblok aan de zijkant en
onderaan een aantal "druppels" siliconen aangebracht om tijdens het inschuiven
in de motorwand voldoende afstand van de wand te verzekeren zodat het polymeer het
ganse oppervlak zou bedekken, met uitzondering van het bovenoppervlak waar de
verbranding moet gebeuren. Vooraleer het polymeer te gebruiken wordt eerst het
volume gemeten tussen wand en brandstof
door middel van water. Na droging wordt de gepaste hoeveelheid polymeer
aangemaakt en in de lege rechtopstaande motor gegoten. Nadien wordt het
brandstofblok langzaam in de motor neergelaten.
In beide experimenten werd de zelfde
brandstofsamenstelling gebruikt: 64,5% Zn, 25,5% S en 10% Al. Wegens het feit
dat de uitlaat van de ZAS5P-8 korter was bedroeg de initiele Ae/At verhouding
in ZAS5P-8 26.4 en in ZAS5P-9 39.5.
De vrije ruimte tussen brandstofblok en de
keel werd opgevuld met 65 g zink-zwavel poeder met een mengverhouding van 3/1 in gewicht. Dit poeder ontvlamt zeer
gemakkelijk en zorgt voor een grote ontsteekdruk en temperatuur.
Voor het keel gedeelte werd gebruik gemaakt
van staal. In afwijking van vorige testen werd ditmaal een keeldoormeter van 7
mm gebruikt, dit om de vereiste Ae/At verhoudingen te bekomen.
De motor heeft de volgende karakteristieken:
|
|
ZAS5P-8
|
ZAS5P-9
|
|
Massa brandstof blokken
|
2316 gr
|
2407 gr
|
|
Samenstelling brandstofblokken
|
Zn:64,5%/Al:10%/S:25,5%
|
Zn:64,5%/Al:10%/S:25,5%
|
|
Type motor
|
Sigaret brander
|
Sigaret brander
|
|
Dimensies van de brandstofblokken
|
29.6 x 5,3 cm
|
29.6 x 5,3 cm
|
|
Dichtheid brandstof
|
3.55
|
3.69
|
|
Massa ontsteekpoeder Zn-S 3/1
|
65 gr
|
65 gr
|
|
Samenstelling ontsteekbrandstof
|
Zn:75%, S: 25%
|
Zn:75%, S: 25%
|
|
Lengte verbrandingskamer
|
30 cm
|
30 cm
|
|
Straalpijp afmetingen
|
De:36 / Dt: 7 /
Dc:56
Ae/At: 26.4
|
De:44 / Dt:7 /
Dc:56
Ae/At: 39.5
|
|
coating
|
Protoflex 190-15N:
1.5 mm
|
Protoflex 190-15N:
1.5 mm
|
|
Dikte motor buis
|
2 mm
|
2 mm
|
|
Materiaal keel
|
staal
|
staal
|
|
Materiaal motorbuis
|
staal
|
staal
|
Het volgende diagramma toont de
stuwkrachtsmeting bij beide motoren. Bij de meting werd behoorlijk veel geruis
waargenomen.
Inderdaad hebben vroegere experimenten de
belangrijke invloed van At/Ae en van eroderende kelen (waardoor At/Ae verandert
gedurende de werking van de motor) op de specifieke impuls aangetoond. Op dit
moment is er geen model beschikbaar die ons toelaat om de optimale verhouding
te berekenen. We zijn dus aangewezen tot een aantal experimenten om de optimale
situatie te vinden.
De eerste figuur toont de opzet van de motor. De
constructie is zo dat het vrij gemakkelijk is om onderdelen te vervangen. Zo is
de straalpijp samengesteld uit 3
individuele delen: het convergerend of inlaat gedeelte, het middendeel of keel
gedeelte en het divergerend of uitlaat deel. Door bijvoorbeeld de keel te
veranderen kunnen we ook de verhouding tussen keeloppervlakte en
uitlaatoppervlak veranderen.
De belangrijkste observaties zijn:
- Vertraagde stuwkrachtsoploop (dip gedurende de
eerste 0.1s): de langzame oploop kan te wijten zijn aan:
- De positie van de ontsteker die zich ditmaal vóór de keel bevond in
plaats van in het convergerent gedeelte waar zich het ontsteekpoeder bevindt. De
reden hiervoor was dat de keel (7 mm) te klein was om de ontsteker door te laten;
- Een dun laagje polymeer dat zich op het verbrandingsoppervlak kan
hebben bevonden, aangezien het vrij moeilijk was om dit volledig te verwijderen
wanneer de brandstofpil zich reeds in de motor bevond.
- Het
feit dat een relatief kleine hoeveelheid (65 gr) Zn-S poeder werd gebruikt is
vermoedelijk niet de oorzaak aangezien reeds kleinere hoeveelheden ( tot 53 s)
met succes werden toegepast.
- klok kurve van de stuwkracht: dit is naast de trage oploop an de stuwkracht vooral te wijten aan de
eroderende keel tijdens de verbranding. Bij een min of meer constante druk
leidt dit tot hogere stuwkrachten.
- Hogere totstuwkracht van de ZAS5P-9. Dit is het
gevolg van het feit dat de keel bij deze motor sterker geerodeerd is dan bij de
ZAS5P-8.
- Wat langere werkingsduur van de ZAS5P-8: dit is het gevolg van het feit dat
de finale keeldoormeter kleiner was dan
van de ZAS5P-9 en dus bij dezelfde drukl
minder materiaal de motor kon verlaten. Het verschil is 0.1s of circa 8% van de
totale tijd.
De Isp is voor beide motoren eerder laag: 52s op
basis van de totale brandstofmassa en 55s op basis van de uitgestoten massa. We
hadden 60 + verwacht.
Zoals reeds aangeven erodeerde de keel van de
ZAS5P-9 van 7 mm in diameter tot 10 mm, daar waar in ZASP-8 de erosie van 7 mm
tot 11 mm bedroeg. De reden van dit verschil is niet duidelijk aangezien het
identieke motoren betrof. ZAS5P-7, een vrijwel identieke motor, met
uitzondering van de keeldiameter die 8 mm bedroeg, erodeerde tot 10.7 mm. Met
uitzondering van de start zijn de stuwkrachtscurven van beide motoren vrij
gelijk.
Conclusies:
- erosion van de straalpijpkeel levert een stuwkrachtsverloop op die
nogal afwijken van de meer algemene driehoeksvorm, met hun hogere
stuwkrachten bij ontsteking en continue daling;
- ZAS5P motoren met eroderende kelen hebben doorgaans een wat
kortere werkingstijd (1.2s to 1,3s in vergelijking met 1.7s);
- Alle motoren (uitgezonderd ZAS5P-2) met geerodeerde keel hebben
hun maximale stuwkracht ergens tussen 0.7 en 0.8s. Dit doet vermoeden dat
de echte verbrandingsduur hiermee overeen stemt en dat de
verbrandingssnelheden zich situeren tussen 37 cm/s and 42 cm/s ;
- de erosie van deze beide motoren is vermoedelijk te groot. Minder erosion
zal ook aanleiding geven tot meer vlakke stuwkrachtscurven. Dit kan
misschien gerealiseerd worden door het keelgedeelte zelf langer te maken
(nu 5 mm), of door minder sterk eroderende materialen te gebruiken. Een
vlakkere curve moet het vinden van de optimale verhouding tussen Ae/At.
Met dank aan het ganse GEA team en de VRO leden
Bert Kimpe en Joeri Wingelinckx voor hun assistentie en Pol Clauwaert voor het
mechanische werk.
|